|
[FG] Hoe hebben Fabian Fiorini
en jij elkaar ontmoet?
[JR] Oh, dat is al vele jaren geleden. Ik denk dat een
aantal van mijn vrienden me aan hem hebben voorgesteld ergens in 1993,
toen hij een van de leerlingen van mijn vader (de componist Frederic
Rzewski) was aan het Brusselse conservatorium. Maar we hebben pas
voor het eerst samen muziek gemaakt zo’n viertal jaar geleden. Toen
nodigde ik hem uit in een 13-koppige band die had opgericht. “The
Workers” heette die. Dat was een orkest waarvan ook mensen
als Laurent Blondiau en Garrett List deel uitmaakten. Allemaal uitmuntende
muzikanten. Samen speelden we muziek die speciaal voor ons gecomponeerd
was door mensen als Kris Defoort, Antoine Prawerman, Frederic Rzewski
enzovoort. Maar we hebben toen slechts twee concerten gegeven. Ik heb
nog maandenlang geprobeerd om meer gelegenheden te vinden waar we konden
spelen. Zonder succes. Het project was gewoonweg te duur, denk ik. Erg
weinig organisatoren waren bereid om een band met dertien muzikanten te
betalen, zelfs al vonden ze de muziek de moeite waard. En dan zwijg ik
nog over de hele klus die het voor mij was om die dertien man steeds samen
te krijgen voor repetities.
[FG] Dus dit keer is je keuze voor een duo je
ingegeven uit praktische en pragmatische overwegingen?
[JR] (lacht) Nee, niet echt. Als je speelt zoals wij
dat doen, dan sta je bij zulke dingen niet stil. Soms is het nodig om
met veel mensen samen iets te proberen, maar soms heb je aan twee genoeg.
Zoiets laat zich niet vooraf dicteren of becijferen. Maar ik geef toe,
mocht ik meer gelegenheid gekregen hebben om met The Workers
te spelen, zou dit duo misschien niet bestaan. Maar anderzijds staat evenmin
iets ons in de weg om op een gegeven moment van dit duo een trio te maken,
als we daar de noodzaak toe zouden voelen. Maar voorlopig vinden we bij
mekaar genoeg inspiratie. Ik heb gevoel dat we samen nog heel veel te
ontdekken hebben. Ik geef je een voorbeeld; toen we met de fotograaf Dirk
Vervaet hadden afgesproken om een aantal foto’s te maken voor de
brochure van JazzLab Series, vroeg hij ons om wat te spelen. We zijn toen,
zonder ook maar een woord met elkaar te wisselen, begonnen. Wel een half
uur lang. En het was prachtig! Ik denk dat dat mooi illustreert waar onze
muziek rond draait: vrijheid, spontaneïteit, schoonheid en respect.
Maar dit betekent niet dat we steeds zo spelen. Soms houden we er evengoed
van om vooraf gecomponeerde muziek zo precies mogelijk door te spelen.
Alles hangt zowat af van het moment. Dat houdt het niet alleen voor het
publiek boeiend, maar zeker ook voor ons. Zo kan elk concert weer een
echt avontuurlijke ontdekkingstocht worden.
[FG] Maar wanneer je spreekt over “vrij
spelen”, dan zitten we gevaarlijk dicht bij piepknormuziek?
[JR] Nee, integendeel! We zouden dat natuurlijk kunnen
doen. Maar voorlopig proberen we dat te vermijden. Of beter gezegd, het
is eenvoudigweg niet nodig. Het is niet echt de bedoeling om vreemde geluiden
te produceren of om bewust vals of ‘anders’ te gaan spelen.
Daarom denk ik dat we ook af en toe ‘fout’ kunnen zijn tijdens
onze improvisaties. Maar we hebben geleerd die fouten te accepteren en
deel te maken van het verhaal dat de muziek ons vertelt. Dan wordt die
fout misschien mooi. Kijk, de manier waarop ik muziek maken zie, is dat
je nooit te zeer mag stilstaan bij de fouten die je maakt. Maar je mag
er evenmin van uitgaan dat elke noot die je speelt dé juiste noot
zal zijn. Af en toe zal het verkeerd uitlopen. Maar zolang je in het moment
speelt en je oren zo open mogelijk probeert te houden, maak je doorgaans
de mooiste muziek. Net dat idee streven we met dit duo na. Althans dat
hoop ik.
[FG] Hoe zou je je muziek dan omschrijven?
[JR] We proberen een perfecte balans te vinden tussen
improvisatie en compositie. We improviseren veelal op vooraf op papier
gezette “structuren” en akkoordensequensen, maar zijn even
snel bereid die ook te laten vallen. En daar proberen we dan zo min mogelijk
over na te denken. Gelukkig hoeven we elkaar ook nooit erg veel uit te
leggen. We voelen elkaar perfect aan.
[FG] Hoe zal een concert van jullie dan verlopen?
[JR] We hebben een repertoire samengesteld van een aantal
stukken. Sommige hebben we zelf geschreven, andere zijn composities van
anderen: Steve Lacy, Charles Mingus of Frank Zappa. Je hoeft daar erg
weinig achter te zoeken, hoor. Een eenvoudige melodie die je blijft achtervolgen
is meestal voldoende reden om een stuk te kiezen. In feite hebben we gewoon
gezocht naar muziek die we allebei wel mooi vonden en die we ook graag
zouden spelen. Tegelijk wilden we ook muziek brengen die makkelijk in
het oor ligt. Muziek die een tegengewicht kan bieden tegen de intense
luister- en speelervaring die je, als muzikant en als publiek, ondergaat
tijdens de passages waarin dan weer vrij wordt geïmproviseerd. Zo
willen we van elk concert een mooi gebalanceerd geheel maken.
[FG] Je wil de mensen een mooie avond bezorgen?
[JR] Natuurlijk! Ik hou steeds rekening met ons publiek.
Ik wil steeds dat wie de moeite neemt om naar ons te komen luisteren,
naar huis kan gaan met het idee iets bijzonders te hebben meegemaakt.
Een concert van ons duo moet een natuurlijke flow zijn die voorvloeit
uit de inspiratie van het moment, waarbij we steeds op elkaar inspelen
of elkaar uitdagen en verleiden. Vóór een concert spreken
we zo weinig mogelijk af. We hebben dat repertoire waarop we kunnen terugvallen,
en weten min of meer wie wanneer mag improviseren, maar die afspraken
houden we echt tot een noodzakelijk minimum. En wanneer er iets verandert
in de volgorde van het repertoire of een van ons beiden stuit toevallig
op een prachtig idee, dan kunnen we daar natuurlijk ook verder op ingaan.
Dat is het opwindende aan met Fabian te kunnen spelen. Hij kan uit het
niets beginnen spelen en de prachtigste muziek zomaar uit de lucht plukken.
En daarin ontmoeten onze muzikale werelden ook elkaar; we houden er allebei
erg van om muziek te maken zoals we ademen. Er niet teveel bij nadenken,
maar heel natuurlijk en ongedwongen spelen.
[FG] Wat voor een muzikant is Fabian Fiorini?
[JR] Fabian is een uomo universale. Hij kan
écht alles spelen. Een puur natuurtalent. Of hij nu strak gecomponeerde
moderne of klassieke muziek moet spelen of begint te improviseren, alles
wat hij doet, is puur goud. Daarom zit hij ook nooit om werk verlegen.
Hij weet zich overal in te passen; van een modern klassiek ensemble als
Ictus, over Octurn, Aka Moon tot de Taraf de Haïdouks. Noem maar
op! Iedereen wil wel met hem spelen. Net als ik, is hij een erg gretige
muzikant die steeds op zoek is naar onverkende muzikale horizonten. En
daarnaast is hij ook nog eens een uitmuntend componist. Fabian is waarschijnlijk
een van de meest veelzijdige talenten van de Belgische, of zelfs Europese
jazz scene.
[FG] Is jullie duo al goed gerodeerd?
[JR] Eerlijk gezegd, neen. Ons enige concert samen, was
in Luik tijdens het jazzfestival daar. De andere keer, toen we in de Vooruit
in Gent moesten spelen, was Fabian zo ziek dat hij verstek heeft moeten
laten gaan. Kris Defoort heeft hem toen vervangen.
[FG] Dus wie weet draait het allemaal heel anders
uit, zodra jullie aan deze tournee met JazzLab Series beginnen?
[JR] Natuurlijk, dat maakt het net zo boeiend. En daar
komt dan nog eens bij dat we telkens op dezelfde avond als het trio van
Erik Vermeulen zullen spelen. Elke avond naar de muziek van Erik luisteren,
zal ook onvermijdelijk een weerslag hebben op hetgeen wij zullen doen.
Ik denk dat zij misschien meer traditionele jazz zullen brengen, die wij
dan zullen counteren om samen een erg gevarieerde avond te presenteren.
Maar elke avond op zich zal ook weer anders zijn. En de muziek die we
op het einde van de tour zullen spelen, zal misschien op weer een heel
ander spoor zitten dan bij ons allereerste concert. Wie weet, misschien
zullen we de avond zelfs afsluiten met een gezamenlijke jamsessie? Dat
zou pas mooi zijn!
[FG] Bij de combinatie piano en sopraansaxofoon
denkt iedere jazzliefhebber natuurlijk aan die legendarische tandem Mal
Waldron en Steve Lacy.
[JR] Je bent zeker niet de eerste die die vergelijking
maakt. Natuurlijk waren die twee onvermijdelijk ook een groot voorbeeld
voor ons. Maar we gaan niet dat duo imiteren, hé. Fabian en ik
luisteren allebei naar heel veel verschillende soorten muziekgenres en
onwillekeurig sluipen heel wat diverse invloeden in onze muziek. Het is
nooit echt zeer opvallend. Je zal ons er nooit op betrappen dat we bewust
muziek imiteren.
[FG] Maar Steve Lacy was jouw grote voorbeeld?
[JR] Als je sopraansaxofonist bent, is iemand als Steve
Lacy nooit ver weg. Hij was (naast Sidney Bechet) sowieso een van de weinige
echte sopraansaxofonisten van de jazz. Ik kende Steve al sinds ik nog
erg jong was. Hij speelde al in de jaren zestig – nog voor ik geboren
was - samen met mijn vader in een band in Rome, Musica Elettronica
Viva (MEV). Dat moet zowat de allereerste vrij improviserende band
geweest zijn die gebruik maakte van elektronica en synthesizers. Dat was
een band waarin ook af en toe mensen als Robin Schulkowsky, Anthony Braxton
en Garret List speelden. Je begrijpt dat bij ons thuis muziek steeds een
centrale plaats innam. Via mijn vader ontmoette ik allerlei belangrijke
componisten als Christine Wollf, Alvin Curran of Richard Teitelbaum. Ik
had ook al van kindsbeen af een muzikale opleiding doorlopen. Ik speelde
piano, maar als tiener was ik onwillekeurig aangetrokken door de saxofoon.
Eerst was dat nog een alt. Maar mijn allereerste sopraansaxofoon heb ik
samen met Steve Lacy gekocht. Ik moet toen een jaar of zestien geweest
zijn. Ik was speciaal overgevlogen uit Rome om samen met hem allerlei
winkels te doen in Parijs. Op het einde van die dag raadde hij me een
zilveren sopraansax aan.
[FG] Waarop je nog steeds speelt?
[JR] Nee, ondertussen ben ik al toe aan mijn tweede instrument,
maar die zilveren sax zal ik altijd bijhouden. Steve Lacy had zo’n
kurkdroge, bijna ijle en snijdende sound die erg herkenbaar was en die
me wel in zekere zin heeft beïnvloed, hoewel ik nooit bewust heb
geprobeerd die te imiteren. Het waren vooral zijn ideeën over muziek
die hij in zijn boek “Findings: My Experience with the Soprano
Saxophone” had neergeschreven die eengrote indruk op mij hebben
gemaakt. In dat boek beschrijft hij hoe hij zichzelf steeds voor nieuwe
uitdagingen heeft gesteld. Steeds verder. Nooit stil blijven staan. Lacy
haalde daarenboven zijn inspiratie uit meer dan muziek alleen, en liet
zich beïnvloeden door allerlei kunstvormen. Het is die onbevangen
gretigheid die hij steeds heeft behouden die ik ook probeer na te streven.
Hij heeft me ook geleerd om de sopraansaxofoon te aanvaarden als dat erg
eigenzinnige instrument dat nooit ‘juist’ zal klinken. Hoezeer
je ook je best doet om het te vermijden, een sopraansax klinkt altijd
een beetje vals. Het is bijna onmogelijk om een zuivere noot te spelen.
Je kan dat vermijden door zoals Sidney Bechet met een heel breed vibrato
te spelen, maar uiteindelijk moet je het gewoon leren accepteren. Ik vergelijk
het vaak met paardrijden. Soms lukt het je het beestje te bedwingen, maar
soms is het koppig en word je er ook eens afgesmeten. Vallen en opstaan.
Frederik Goossens werkt
freelance voor Klara, Knack en Jazzmozaïek
terug naar Fiorini-Rzewski
Duo |
|


foto's
: Dirk Vervaet |
|